vrijdag 11 december 2015

Bos en Lommer (5) Mix to the max

Kahvealti aan de Bos en Lommerweg is een heerlijk pluriforme koffie- en lunch-zaak, waar Turks en Amsterdams gemengd wordt in het eten, in het publiek en in de sfeer.

Vanaf de straat zie je in de etalage van Kahvealthi links de prachtige taarten van de patisserie-afdeling, en rechts een Hollandse broodjes-counter. Eenmaal binnen zie je verder in de zaak links de zoete Turkse hapjes (waaronder de baklava!) en dan de hartige Turkse hapjes. Een lust voor het oog alleen al. Rechts zijn wat tafeltjes. Verder naar achter is het ontbijt-buffet (ontbijt tot 3u!) en dan een verrassend groot zitgedeelte. Het interieur heeft iets van een klassieke jaren-50 diner en de Turkse pop-muziek is nogal nadrukkelijk aanwezig.
De bediening wordt verzorgd door drie vriendelijke, vlotte jongedames. De een met een hoofddoekje, de ander met een weelderige haardos. De een wat afwachtender, de ander met Amsterdamse pit.
Het publiek is behoorlijk gevarieerd, een Mediterraan-Amsterdams mengelmoesje, jong en oud, traditioneel en trendy. Toen de lunchtijd eenmaal voorbij was, zaten er alleen nog groepjes vriendinnen.

Het ontbijt-buffet zelf is al even mixed als de rest van de zaak: Hollandse, Franse en Italiaanse kaas liggen wat steriel op schalen, met daarnaast dan een spannende chili-saus en pittige pepers. Een heel ruim aanbod aan salades: aardappelsalade, koolsalade, komkommersalade. Volop olijven, noten en gedroogde abrikozen. De gegrilde aubergine en gebakken aardappeltjes worden koud geserveerd. Er is ook iets van worst en nog wat vlees-achtigs, maar dat slaan we over. Bij het buffet kun je zoveel thee drinken als je wilt.
Het enige wat we er bij missen is een mandje met brood. Ja, daar hadden we zelf om moeten vragen, maar misschien had het ook zo gebracht kunnen worden.

Al met al is het een zaak waar alles op orde is en het een gezellig komen en gaan van klanten is. Het buffet kan nog een paar spannendere Turkse gerechten hebben, maar de volgende keer gaan we ons eerst op de patisserie storten!

Amsterdam, 11 december 2015

Ten tijde van ons bezoek heette deze zaak nog Seyidoglu. Verder is alles hetzelfde gebleven.

Meer Bolo blogs 

Lees hier meer Bos en Lommer koffie- en lunch-reviews

woensdag 18 november 2015

Bos en Lommer (4) Aardappel krijgt groen licht

Door de opvallend groene gevel en idem verlichting valt King Kumpir prima op in de gevellijn van de Bos en Lommerweg. De inrichting en ook weer die groene verlichting zien er fris en modern uit. Toch heeft de zaak ook een fast food uitstraling die wordt versterkt door  de witte tafeltjes, plastic bestek en plastic bekertjes. Dat is jammer, want daardoor nodigt het niet uit er langer te blijven zitten.

Een uiterst vriendelijke en behulpzame jongedame legt uit dat kumpir  van oorsprong een Turks gerecht is. De bereiding gebeurt ter plekke en is helemaal te volgen: een grote gepofte aardappel wordt doormidden gesneden en met boter en geraspte kaas gepureerd - nog in de schil. Dit "bedje van puree" wordt rijkelijk belegd met sausjes en groentes naar keuze uit de salad bar. Bonen, mais, augurkjes, pepertjes, rode kool salade, etc, etc. Het resultaat ziet er niet alleen mooi uit, het is ook heerlijk, en meer dan genoeg als lunch. Voor wie iets anders wil, is er ook falafel, friet en pitabroodjes.

Er is aardig wat aanloop, zo te zien vooral van winkelend mediterraan publiek. De soms wat traditionele hoofddoekjes van de clientèle vormen een contrast met het moderne interieur, maar gezellig is het er zeker.
Wat een beetje verwarrend is, is dat zowel de website als het foldertje claimen dat ze vegetarisch zijn, maar dat er ook tonijn of kip als vulling op de kumpir te krijgen is. Nu zijn er vele definities van vegetarisch mogelijk, maar buiten Frankrijk dacht ik dat het niet gebruikelijk was vegetarisch te zien als "alles behalve koe en varken". Niet getreurd, we laten de kip en tonijn gewoon links liggen. En we komen zeker nog eens terug.


Amsterdam, 18 november 2015

Meer Bolo blogs 




woensdag 4 november 2015

Bos en Lommer (3) Degelijkheid is een kwaliteit

Volgens de definitie “kwaliteit is het uitsluiten van toeval” is Meram een topper. Degelijk, netjes, verzorgd, smakelijk, vriendelijk. Het eten, het interieur en de bediening zijn allemaal OK, zonder spectaculair te worden.

Meram is, behalve een regio in Konya, een Amsterdams-Turkse keten van restaurants met zes vestigingen verspreid over de hele stad (en twee in Rotterdam). We bezochten die tegenover het levendige Bos en Lommerplein rond lunchtijd. Buiten had meer dan 90% van de vrouwen een hoofddoekje om, binnen minder dan 10%. De clientèle leek zeer divers, en zelfs onze serveerster droeg daar toe bij met haar Spaans-Argentijnse roots.
Op de menukaart was het even zoeken naar de vegetarische opties, maar uiteindelijk vonden we er toch verschillende. We namen een paar tapas, een broodje falafel en een portie friet. Bij de tapas kwam heerlijk, vers, warm Turks brood met een fris yoghurt-munt-sausje. Het waren royale porties, dus we hadden er meer dan genoeg aan. Allemaal heel smakelijk, maar niet spannend. Dat kun je zowel als een voordeel als als een nadeel zien.


De zaak was modern-klassiek ingericht. Aangenaam ruimtelijk en rustig. Misschien iets geschikter voor een degelijke lunch dan voor een gezellig etentje.
De toiletten leken recent gerenoveerd. Niet in stijl met de rest van de inrichting, maar glimmend zwart-witte tegels, moderne wastafels met  gadgets als de in de kraan geintegreerde handdroger waarvan de bediening niet een-twee-drie duidelijk was.

Al met al een prima lunch-plek waar een breed publiek zich senang kan voelen.

Amsterdam, 4 november 2015

Meer Bolo blogs 


zondag 25 oktober 2015

Patti Smith in Paradiso

Na haar bandleden loopt Patti het podium op. Een subtiel ironisch heupwiegje, en ze heeft de halve zaal plat. Ze loopt naar de microfoon, zet haar leesbril op, en draagt de hoestekst voor van Horses, de elpee die 40 jaar geleden uitkwam.

Deze maand bezocht ik twee concerten van grootheden uit de midden-70's. PIL (John Lydon alias Johnny Rotten) en Patti Smith. Allebei revolutionair zowel muzikaal als maatschappelijk. London vs New York. Voorpaginanieuws vs underground. Arbeidersklasse vs intellectuelen. 59 jaar vs 68 jaar. (*)
Het publiek bij Patti Smith was gevarieerder. Ook duidelijk maatschappelijk geslaagder. Hoewel de 50'ers en 60'ers in de meerderheid waren, was er een flink aandeel jongeren. De hippy-spirit zat er ook in: toen de stoelen op de galerij allemaal bezet bleken, ging menigeen in kleermakerszit op de grond.

De toetsenist zette de eerste noten in van Gloria, het begin van de integrale uitvoering van Horses. In de stevigere nummers ontpopte Patti zich als een ware rock chick, met ritme in de stem en swing in het lichaam, van links naar rechts over het podium bewegend, leunend over de monitoren, handjes gevend aan het publiek op de eerste rij, zwaaiend naar de bovengalerijen.
In de meer poëtische nummers schreeuwde ze, krijste ze het publiek toe als een ontketende messias, vloekend en tierend als Jezus in de tempel. De lange grijze haren wapperend, de armen breed uitgestrekt, het publiek bezwerend.

Haar stem was bepaald niet meer van fluweel, maar dat maakt ze goed met een intensiteit en energie waar John "Anger is an energy" Lydon niet van terug zou hebben.
In aanmerking genomen dat Horses 40 jaar oud is, bleef de uitvoering dicht bij het origineel. Alleen kregen we een extra stuk Gloria na het titelnummer, en werd Elegie een aangrijpende klaagzang voor een lange lijst te vroeg overleden musici. Bekenden als Jim Morrison, Jimi Hendrix, Kurt Corbain en Amy Winehouse, waar ze allemaal songs ter nagedachtenis voor geschreven heeft, en minder bekenden als Johnny Thunders, Johnny Winter en natuurlijk haar eigen man Freddy "Sonic" Smith.

Na Horses werd een song opgedragen aan het publiek van Paradiso. Toen de Patti Smith Group midden jaren '70 begon met touren, vond Patti het zo jammer dat het publiek nooit meezong. Pas na drie jaar, in Paradiso, werd ineens uit volle borst van begin tot eind meegezongen met Dancing Barefoot. Nu weer.
Daarna was er soort pauze, een intermezzo waarbij de band een medley van Velvet Underground nummers speelde. Toen Patti terugkwam op het podium, zei ze dat ze een costume change had ingepland om als hedendaagse rock star mee te kunnen. Alleen was ze vergeten zich om te kleden en deed dat alsnog on stage.

In het volgende blok van drie nummers zaten die andere grote hit, Because The Night, en twee nummers van de latere albums Dream of Life en Gone Again. De bandleden wisselden eens van instrument, Patti praatte wat meer en gaf opmerkingen uit het publike steeds een gevat weerwoord. Ze kwam bijna niet meer uit haar woorden van het lachen, omdat ze zo blij, zo gelukkig was. Na een onderonsje met de bassist volgde een vertederend ...my boy... Het was haar zoon.
Als toegift kregen we, hoe kon het ook anders, My Generation. In een concert dat in het teken stond van leven en dood, hoop en vrijheid, was de tekst toepasselijk veranderd in "hope I live untill I get old".  Wellicht met het idee "de jeugd heeft de toekomst" werden twee tiener-rasta-meisjes uit het publiek het podium opgehesen, om een dansje te doen. Ze waren te verbijsterd van geluk en versteenden bij vlagen. Patti deed een gitaar om om de feedback effecten uit dit lied te bewerkstelligen. De gitaar in de versterkers kapotslaan zoals Pete Townshend in 1965 deed, ging misschien te ver, maar wel werd de ene na de andere snaar geknapt. Onder een nagalmende feedback verliet de band het podium. De zaallichten gingen aan en Jimi Hendix' Freedom klonk. De roadies deelden set-lists, bloemen en prullaria uit onder het publiek.

Het was een memorabele avond.

Meer concerten 

Lees hier meer concert-reviews

zaterdag 10 oktober 2015

Bos en Lommer (2) Goedemorgen

Goedkoper? Goedkóper geworden? Het is nauwelijks te geloven. Het is al lang niet meer alleen op het Leidsche Plein of een exclusieve locatie dat je meer dan 2 Euro betaalt voor een kopje koffie. 
Iedere slimmerik binnen de ring denkt dat-ie er mee weg komt €2,20, €2,40 of €2,60 te rekenen voor een kopje middelmatige koffie. En gezien de klandizie lijken ze vaak nog gelijk te hebben ook.

Waar de prijzen voor een kopje koffie de pan uit rijzen, gebeurt bij Buongiorno het omgekeerde: ze worden goedkoper.  En dat is niet het enige sympathieke aan deze mini-keten in Amsterdam West.

Ze hielden ons lang in spanning: op de hoek van de Bos en Lommerweg en de Admiraal de Ruijterweg waren de ramen meer dan een half jaar afgeplakt met bruin papier met intrigerende teksten over Javaanse koffie. Begin van de zomer was het eindelijk zo ver: de zaak ging open. Een frisse moderne uitstraling, tegelijk gezellig. Onder, op en achter de toonbank voert koffie de boventoon in diverse varianten, maar is ook ruimte voor andere drankjes en hapjes, waaronder heerlijk gebak. Links bestel je bij de altijd vriendelijk barista, rechts haal je je bestelling  op en aan een klein "eiland" pak je suiker en melk en staat een karaf water - nog zo'n sympathiek detail.


Je kunt buiten zitten op grote stoere houten banken - in 2015 is er geen zaak denkbaar zonder - of binnen in de vensterbank of aan de leestafel. Daar kun je proeven dat het werkelijk een prima kopje koffie is, dat de Italiaanse naam eer aan doet. In korte tijd is de zaak populair geworden bij zzp'ers (zelfstandige zonder plek-om-te-werken) waarvan er zelfs op zaterdagochtend een stel zitten te werken aan hun laptop. Verder is er een bijna continue stroom van mensen die even een bakkie komt doen.  Het publiek is behoorlijk gevarieerd, en ook dat draagt er toe bij dat het er prettig toeven is.
Aan de toeloop te zien is de zaak een schot in de roos, een aanwinst voor de buurt, en een genoegen om zo'n succesvolle allochtone onderneming te zien. En dat allemaal vanaf slechts  €1,80…

Amsterdam, 10 oktober 2015

Twee jaar later

Toen in 2015 het menubord voor de speciale koffies opgehangen werd, waren de specials vernoemd naar vijf legendariache voetballers en één onbekende. Bergkamp, Van Persie, Iniesta, Zidane en Maradona. Je zult maar in dat rijtje gezet worden als jeugdspeler van Ajax. Intussen weten we hoe terecht dat was. Hoewel zijn ster op de velden nooit tot die grote hoogte heeft mogen reiken, is wat hij heeft losgemaakt in Amsterdam en de voetbalwereld onvergetelijk. En daarmee onsterfelijk. Appie Nouri, 34.



Meer Bolo blogs 

woensdag 7 oktober 2015

PIL in Paradiso

Terwijl de zaal langzaam vol liep, beende een man gekleed in een pak met fluoriserend gele strepen en schouders van back stage het podium op en terug. Hij bestudeerde het stuk van het balkon dat tot boven het podium doorliep. Dat moest ontruimd worden en met een lint afgezet worden. Gedurende het hele concert stond hij streng in een hoek voor op het podium te kijken.  Was Johnny bang voor bier-gooiers en stage divers? Dat was dan de enige referentie aan de Sex Pistols dagen, want het publiek gedroeg zich behoorlijk tam. Zo zagen ze er nu uit, de kansloze jongeren van 40 jaar geleden: eind 50, kaal hoofd en een zwart leren jasje aangeschoten dat niet meer sloot over hun bierbuik.

De zaallichten gingen uit, de band kwam op, als laatste John Lydon. A capella zong hij de openingszinnen, daarna zette de band in voor dezelfde dubbele opening als het recentste album What The World Needs Now: Double Trouble / Know Now. Meteen daarop volgde een briljante uitvoering van This Is Not A Love Song.
De ritmesectie legde een uiterst solide fundament, met een bas zo diep dat je 'm niet hoorde, maar die wel je borstbeen deed resoneren. Als de ritmesectie het gewapend beton was, dan was de gitarist de diamantboor. Slijpend, snerpend, gierend, jankend, huilend - maar nooit wist hij te ontsnappen aan de ijzeren greep van de drummer en bassist. Ook John's stacato zang bleef door de mix gevangen en vormde vaak een kleur in het palet van klanken. Hoewel zijn zang niet boven de muziek stond, was John wel het absolute middelpunt van de zaal: stage center. Alleen tijdens een paar ultrakorte, verrassend melodieuze gitaarsolo's verschoof de spotlight even naar de gitarist.
Zo gleden we langzaam in een trance waarbij het onderscheid tussen de verschillende uitgesponnen nummers vervaagde. Waren ze nieuw of oud? Waren ze bekend of niet? Het maakte niet meer uit, ze lagen allemaal aan de ketting van de ritmesectie en de gezamelijke klank-samenstelling. Daarmee vervaagde ook de tijd, had die geen begin of eind meer, geen verleden of toekomst, kwam die tot stilstand. Een gevoel dat je ook kunt hebben als je ergens halverwege een wereldreis van zes maanden bent, of zoals iemand me vertelde: als je wat goede hasjies gerookt hebt.

We landden weer met een lange expirimenteel-psychedelische uitvoering van Religion. In het middendeel alleen nog de vervormde stem van John boven een licht ritmisch tikje van de drummer.  Aan het eind een chant: "turn up the bass". Dat gebeurde. Alsof de zaal een trilplaat werd, schudden eerst de vullingen uit je tanden, en toen de kiezen uit je kaken.
De toegift bestond uit strakke uitvoeringen van de publiekslievelingen Public Image en Rise (met John's lijfspreuk "anger is an energy"). John had ons blij verrast met een uitstekende band en een uitstekend concert. Als afscheidswoorden kregen we mee: Amsterdam is my second home, en this way we can change the system.


Meer concerten 



Lees hier meer concert-reviews o.a. later dezelfde maand het concert van Patti Smith

maandag 5 oktober 2015

Bos en Lommer (1) Wild West aan de ring

Het GAK-kantoor is altijd een van de lelijkste gebouwen van Amsterdam geweest. Prominent langs de A10 kende en verafschuwde iedereen het. Natuurlijk werd het ook niet populairder door zijn functie of door de verbouwing met de gouden badkranen door de toenmalige directeur (of was dat later, Tjibbe Joustra bij het UWV?).

Recentelijk heeft het een enorme make-over gekregen en zijn er appartementen in gekomen. En het is nog altijd even lelijk. Ook als je het benadert vanaf de andere kant, via het Bos en Lommer-plein en -plantsoen. Maar in de kelder, onzichtbaar vanaf de weg en bijna onvindbaar, bevindt zich een aangename verrassing. Het Wilde Westen is een café-restaurant dat de huiskamer van de buurt probeert te zijn. Ingericht volgens de laatste trends, beetje industriele look met wat vintage meubelen, een roestig ijzeren hek, tafeltjes langs het raam en een giga leestafel cq zzp-werkplek aan de andere kant. Ziet er best aangenaam uit.



maaltijdsalade
Op een maandag-avond was het er niet al te druk, maar voelde het toch niet te leeg aan. De bediening was vriendelijk en prettig, de menukaart beperkt in omvang – en dat bedoel ik als een pré – en met verschillende vegetarische opties.  De pizza en de maaltijdsalade smaakten uitstekend. De pizza met flinterdun knapperig deeg. De salade met geroosterde stukjes pompoen en knapperige tuinbonen.


Kassabon
Dat klinkt allemaal heel goed. En dat was het ook. Maar toch was er een aspect dat tegenviel. Waar de charme van het hedendaagse Bos en Lommer is dat het in transformatie is van een moeilijke wijk naar een hip and happening place, met de perfecte mengeling van traditionele allochtonen, hippe meiden met hoofddoek en jonge ondernemers. Daar is de clientèle van Het Wilde Westen 100% wit. Niets tegen onze witte medemens, maar het steekt allemaal zo bleek af bij de kleurrijke buurt. 

Amsterdam, 5 oktober 2015

Meer Bolo blogs 

Lees hier meer Bos en Lommer koffie- en lunch-reviews

dinsdag 14 juli 2015

De Rohingya: Een verborgen volk in de jungle

Bezoek aan de Thais-Maleisische grens

Dit was echte jungle met veel bomen die tientallen meters kaarsrecht omhoog sproten om een beetje licht op te vangen waar hun kroon zich uitbreidde. Dikke lianen en parasitaire planten groeiden er omheen. Dorre bladeren van een halve meter groot vermengd met fel rode bladeren bedekten de bodem. 
Het pad werd door de hoge oppervlakkige wortels op z'n plaats gehouden, op een stuk na waar het naar beneden gestort was en er geklauterd moest worden. 
Daar kwamen die lianen en wortels weer van pas. Sporen van wilde zwijnen, stekelige rotan, grote vlinders, harde hoge tsjierppartijen van de insekten - het bos was er vol mee.

We wandelden over een pad door het Thale Ban National Park, in de uiterste zuidwest-hoek van Thailand. Volgens het bord was dit evermoist forest, nog net niet zo ondoordringbaar als het tropical rain forest dat we zuidelijker in Maleisië gezien hadden.  Dat dit een onherbergzaam gebied was, met moerassen, bergen en jungle, was de reden dat we hier de grens overgestoken waren door mee te liften met een vrachtbootje over de Andaman Zee.
Maar nu waren we toch vlak bij de enige landgrens in de regio: aan een kleine weg met nauwelijks verkeer en al helemaal geen openbaar vervoer. De laatste 20 kilometer waren we meegelift met de grote pick-up truck van Hassan, een politieman of grensbewaker in uniform, op weg naar zijn werk. Het National Park lag twee kilometer voor de grens. Met niets dan jungle er tussen.
Het was onthutsend, maar niet onvoorstelbaar, een paar maanden later in de krant te lezen dat precies hier geheime vluchtelingenkampen waren waar Rohingya uit Myanmar werden vastgehouden, afgeperst door mensensmokkelaars, en vermoord achtergelaten.

Bootvluchtelingen

Thailand en Myanmar hebben een lange gemeenschappelijke grens, en zo'n 150.000 Karen uit oostelijk Myanmar zitten al 30 jaar vast in vluchtelingenkampen van de Thaise overheid net over de grens, 1500 kilometer noordelijker. Ze zijn intussen een bekende bestemming voor culturele bezoeken en vrijwilligerswerk door westerse toeristen. Nauwelijks bekend zijn de Rohingya uit westelijk Myanmar. Ze worden niet geaccepteerd omdat hun godsdienst afwijkt van de meerderheid, de Buddhisten. Ze vluchten niet door de jungle de grens met Thailand over, maar moeten met bootjes over de Andaman Zee. Hun doel in Maleisië, waar Moslims de meerderheid vormen. Maar vaak landen hun bootjes in zuid Thailand, waar ze op weg naar Maleisië in handen vallen van de smokkelaars.
Op zee werden de bootjes verjaagd of teruggesleept door de Thaise, Maleisische en Indonesische kustwacht, tot de zaak in mei 2015 zoveel internationale aandacht kreeg , dat Maleisië besloot ze tijdelijk op te vangen.

Bezoek aan deelstaat Rakhine

De zaak raakt ons nog meer, omdat we 7 jaar geleden in Rakhine waren, de regio van Myanmar waar de Rohingya vandaan komen. Korte tijd was de streek toegankelijk, toen Myanmar net begon zich meer open te stellen en toenadering zocht met oppositie en buitenland. Maar al snel werd een nieuw binnenlands conflict gezocht en gevonden bij deze minderheid. Hoewel ze al vele generaties of vele eeuwen in Rakhine wonen, deels afstammelingen van Persische en Arabische handelaren, deels migranten binnen wat in de 19de eeuw één Britse kolonie was, worden ze nu gezien als illegale immigranten uit Bangladesh.
Nu terugkijkend, is het verbazingwekkend dat we de streek indertijd niet als Islamitisch herkend hebben. Blijkbaar moesten ze toen al een low profile houden. Het straatbeeld van Sittwe werd overheerst door monniken, nonnen en tempels. De schaarse toerist bracht geen welvaart naar Mrauk U, die uithoek van het land was duidelijk straatarm. Mobiele telefoons waren er in Sittwe al niet meer, en in Mrauk U was zelfs geen vaste telefoonverbinding met de rest van de wereld.

Mrauk U was een oude hoofdstad uit de 16de eeuw, van een rijk dat zich uitstrekte over delen van het huidige Bangladesh (waarvan de nabijheid b.v. geïllustreerd werd door de importkoekjes in de winkel) en de huidige Rakhine State. Er waren een heleboel tempels en pagodes uit die tijd overgebleven, half tussen het dorp en de akkers gelegen, soms wat vervallen en overgroeid. Steeds zag je weer een andere tempel op een heuvel of een pad naar iets moois. De setting alleen al was fantastisch, maar de chedi's zelf waren ook meer dan de moeite waard.
We wandelden er rond, hier en daar begeleid door groepjes kinderen die eigenlijk naar school hadden moeten gaan.
Verder weg van het dorp waren er geen kinderen meer die steeds bye bye roepend op je afrenden, maar uitgestrekte akkers en vrouwen die met manden op hun hoofd liepen. Hier was geen meter straat verhard, geen huismuur van steen: alles hout en bamboe en erfjes van aangestampt zand.

Een bizarre circel

Met deze laatste alinea uit mijn reis-dagboek van 2008, en de alinea uit mijn reis-dagboek van 2015 waar dit stukje mee begon, sluit zich een bizarre cirkel rond twee plekken die we bezochten toen we van niets wisten, en die daarna eventjes het wereldnieuws haalden.


Amsterdam, mei-juli 2015

maandag 30 maart 2015

Brood blog 2: Gluten zijn een godsgeschenk.

Ver verleden

Als we kijken naar de evolutie van de mens, en hoe de mens het overheersende wezen op onze planeet werd, blijft het nog altijd een vraagstuk waar de mens precies die voorsprong op andere wezens nam. Daarom bestuderen we hoe en wanneer de mens rechtop ging lopen. Een andere factor is de plaats van de duim ten opzichte van de andere vingers, waardoor de mens beter gereedschappen (stenen, stokken) kon vasthouden. Taal wordt algemeen gezien als een cruciale stap.



Minder bekend is de bijdrage van de gluten-tolerantie, die veel andere volwassen primaten niet hebben: er zijn aanwijzingen dat de mens door zijn vermogen granen te eten, toegang had tot een nieuwe voedselbron, rijk aan eiwit en energie. 

Daarmee werd het met name beter mogelijk om in gematigde klimaten te overleven, en dus hele nieuwe werelddelen te bevolken.

Voor degenen die een rol van god willen zien in de evolutie van de mens, zou je dus kunnen zeggen dat gluten een godsgeschenk zijn.

Recent verleden

Minder dan een procent (1%) van de mensen heeft een gluten-intolerantie. Maar doordat een paar quasi-serieuze boeken met pseudo-wetenschappelijke pretenties gebaseerd op verkeerde aannames onverwacht populair werden, verbeeldt een steeds grotere groep mensen uit de westerse middenklasse zich dat ze ook een gluten-intolerantie hebben.  Als sommigen van hen zich met een glutenvrij dieet tijdelijk beter voelen, is dat deels te danken aan de extra aandacht die ze dan besteden aan alles wat ze eten, en deels aan het placebo effect.

Het is jammer dat de mensen die écht een gluten-intolerantie hebben, hierdoor minder serieus genomen worden.

Heden en toekomst

 Dankzij moderne technieken zijn er in deze eeuw van overvloed genoeg alternatieven voor granen en brood.  Het is dus heel goed mogelijk een glutenvrij dieet te volgen. Maar het kost je geld en het kost de wereld grondstoffen. Het is een luxe die weinigen zich kunnen veroorloven maar velen wordt opgedrongen.

Hopelijk is 99% van de mensen binnenkort weer verstandig genoeg om brood een plaats te geven in een uitgebalanceerd dieet. Wil je brood eten waar geen extra gluten aan zijn toegevoegd (ja, ze zitten in "broodverbeteraar" in fabrieks-brood) of zo-wie-zo weten wat er in zit, dan kun je je eigen brood bakken.


Meer lezen

Een eenvoudig, lekker en gezond broodrecept vind je HIER.

Lees hier de andere brood-blogs.



zondag 15 maart 2015

Brood blog 1: Uit noodzaak geboren: een nieuw brood-recept.



Het leek een onoverbrugbare kloof. De een had jarenlang zo goedkoop mogelijk boodschappen gedaan, en het goedkoopste volkorenbrood uit de supermarkt gekocht. De ander kocht heerlijke ambachtelijke broden bij de warme bakker of bij de markt-met-een-kuu.
Die fabrieksbroden smaken toch nergens naar! 
Die ambachtelijke broden zijn toch veel te duur!

Toen kwam het idee om dan maar zelf brood te gaan bakken. Dat zou lekkerder moeten zijn dan fabrieksbrood en goedkoper dan ambachtelijk brood. En met zo'n broodbakmachine was het weinig werk en kon het niet mislukken. Dat zijn toch eigenlijk de vier kriteria waar het om gaat.

Dus werd bij de supermarkt een pak broodmix gehaald, en bij de witgoedzaak een broodbakmachine. Na het lezen van de instructies en het afmeten van de toevoegingen en het kiezen van het juiste programma werd de machine aangezet. Na een tijdje leek het alsof er niet veel gebeurde. Het lampje dat de "fase" aangaf, versprong niet. De machine maakte steeds dezelfde korte beweging, maar het deeg werd echt niet gemengd - laat staan gekneed. Nauwkeurige bestudering leerde dat de deeghaakjes eigenlijk nauwelijks bewogen - de weerstand van het mengsel leek te groot.
Wat te doen? Er zat immers al water door de broodmix, dus die kon je niet lang bewaren. Dan maar gauw met de hand kneden en in de oven zetten. Er kwam zowaar iets behoorlijk eetbaars uit.

Die broodmachine was dus geen succes. Bovendien was het kneden veel minder moeite geweest dan van te voren gevreesd. Eigenlijk zou je het brood net zo goed helemaal met de hand kunnen maken. Maar dan moest je wel weten wat de optimale hoeveelheden meel, gist en water waren, en hoe lang het moest rijzen en bakken. Gelukkig kun je tegenwoordig alles op internet opzoeken.

Daar bleek al snel dat je door de bomen het bos niet meer zag. Talloze recepten die beweerden het enige echte te zijn; de een had het over het soort meel; de ander had een ingewikkelde rijs-cyclus; de derde had weer andere verhoudingen suiker en zout; de vierde was zo warrig dat je eigenlijk niet wist met welke stap je bezig was; de een zwoer bij vers gist en de ander had het over het laten weken van gedroogde gist in lauw-warm water; uit reacties bleken veel recepten te mislukken als je iets niet helemaal goed deed.
Wat ze allemaal gemeen hadden, was dat als je ze doorlas, je dacht dat een brood bakken een uiterst gecompliceerde zaak was die je pas na jarenlange ervaring meester zou kunnen worden.

Intussen werd de broodbakmachine grondig schoongemaakt en terug in de verpakking gedaan. Daarmee terug naar de winkel. Gelukkig was het een klantvriendelijke zaak, waar je spullen binnen acht dagen terug kon brengen - mits ongebruikt natuurlijk. 
Nou, er was geen brood mee gebakken dus "gebruikt" kon je 'm niet noemen.
Wij gingen verder zonder broodbakmachine die ook maar weer ruimte inneemt in je keuken, en minder eenvoudig is dan je verwacht, en stuk kan gaan. 

Met het nodige lezen, nadenken, uitproberen, bijstellen en versimpelen kon uit de vele bomen van het brood-recepten-bos een handzame broodplank gezaagd worden. Zo ontstond een recept dat lekker en goedkoop is, en bovendien gemakkelijk en nooit mislukt.

maandag 23 februari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 5 (slot): De Andaman kust

Satun, hoe het verder ging…
Uiteindelijk zijn we twee weken in Satun gebleven. Het was gewoon te leuk om te vertrekken. Een aantal ochtenden bleven we thuis en zat E. op de veranda aan haar boek te werken. Andere ochtenden wandelden we door het stadje, over de markt, of juist de stad uit. Binnen tien minuten was je op het platteland. Vooral de wandeling die ons eerst langs een mangrove bos bracht, toen langs visvijvers met kreeft, en toen bij een afgelegen huis waar oploskoffie geserveerd werd, was spectaculair.
Voor de lunch gingen we iedere dag naar dezelfde plek. Iedere Thaise stad heeft ten minste één vegetarisch lunch-restaurant. Het probleem is het te vinden. Ten eerste om de vraag duidelijk te maken (wij spreken geen Thai); ten tweede zijn ze niet erg bekend; ten derde om het evt antwoord te begrijpen (zij spreken geen Engels); ten vierde om het te zien zelfs als je er voor staat. Ook dit was onooglijk klein in de hoek van een loods. Maar de belangrijkste hint is altijd het bord met rode letters op een gele achtergrond. Iedere dag was er een soort buffet met verschillende groentes en tofu-varianten die je op je bordje rijst kon scheppen. Het was afwisselend, lekker, gezond en spotgoedkoop.
Ook voor koffie hadden we een vast adres, als we in de stad waren. Een klein bamboe stalletje waar een meisje in zat, achter de toonbank weggedoken als er geen klanten waren, voor take-away koffie en thee. Het was een genot om te zien met hoeveel zorg ze iedere bestelling klaarmaakte. Een schepje van dit, een scheutje van dat, roeren, mixen, in een zak of beker met ijs gieten, inpakken. Ze was niet erg spraakzaam, maar wel zorgzaam. Onder haar glinsterende hoofddoek had ze haar wimpers gitzwart gemaakt en haar wenkbrauwen dik ingetekend.
Avondeten hadden we afwisselend thuis of in de stad. De kwaliteit kon die van KL en Penang niet evenaren, en bestellen ging soms moeizaam, maar toch waren we meestal wel tevreden met het resultaat.
Uniek voor Thailand is hoe gemakkelijk je ergens naar muziek kunt luisteren. We vonden een openlucht-bar waar iedere avond een trio optrad. De zangeres deed graag Engelstalige covers en kon echt goed zingen. Soms waren wij de enige klanten en hadden dan de drie muzikanten en vijf man personeel ons heen. Die waren druk met het voortdurend bijvullen van onze glazen met ijsblokjes en het flesje cola dat op een bijzettafeltje stond.
Satun was toch niet 100% Thai. Eerder 99.8%. Buitenlanders waren of 3 dagen overgekomen van Langkawi voor een nieuwe Maleisische inreis-stempel en zaten in hetzelfde resort als wij. Of ze hadden hun jacht in onderhoud op de werf in Thammalang. Of ze woonden hier, getrouwd met een Thaise, die thuis zat terwijl ze met hun lotgenoten bier dronken en klaagden. Of ze waren Amerikaanse jonge meiden die Engelse les gaven en lunchten in hetzelfde restaurant als wij. Of ze waren op doorreis van/naar Langkawi en te laat voor de laatste ferry.

Trang
Hondervijftig km naar het noorden met een minivan kwamen we in Trang. Trang is al een wat groter stadje en minder aan Maleisie verwant. In eerste instantie schrokken we van de toeristen, in vijf minuten zagen we er meer dan in twee weken Satun, maar uiteindelijk bleek dat ze allemaal in de paar honderd meter rondom het treinstation bleven.
We waren de twee dagen voorafgaand aan het Chinese Nieuwjaar in Trang, en dat werd hier groots aangepakt. Iedere avond was een deel van brede straten afgezet, waar podia gebouwd waren en een markt met allerlei soorten eten was opgezet – gevarieerder en verzorgder dan een gewone Thaise night market. De mensen waren er ook echt als een uitje, niet alleen om een hapje te eten. Veel mensen hadden zich er extra voor gekleed, soms in gloednieuwe rode jasjes en jurkjes. Op sommige stukken kon je nauwelijks lopen door de menigte. Maar het had wel iets heel gezelligs en gemoedelijks.

Vanuit Trang makten we een excursie naar Kantang. Kantang ligt aan de monding van de rivier de Trang, zo'n 30km zuidelijker. Al eeuwen geleden was het een belangrijke haven met een mengeling van Maleise, Chinese en Thaise inwoners. Het was vroeger na Bangkok de belangrijkste haven van het land en had daar ook een spoorverbinding mee. De hoogtij dagen waren ruim een eeuw geleden, toen de lokale ondernemer en heerser Praya Ratsadanu goede connecties had met het Thaise koningshuis, oog had voor het belang van de bevolking en vernieuwingen doorvoerde. Zo importeerde hij stiekem de eerste rubberboom uit Maleisie (nadat een Engelsman de zaden illegaal uit Brazilie had meegenomen). De impact daarvan zie je nu overal: de rubberboom is verreweg het meest verbouwde gewas in zuid Thailand.
Er gaat een trein per dag van Bangkok naar Kantang, via Trang. Daar konden we dus mee gaan. Het laatste half uur van een rit van 17 uur. De trein was nagenoeg leeg voor dit laatste stukje en reed door landelijk gebied.
Het stationnetje van Kantang is het originele eeuw-oude houten gebouw, prima in de verf, met de originele loketten en borden. Een kamer is een klein museum, een nevengebouw is nu een leuke coffeeshop.
We wandelden naar het voormalige woonhuis van Praya Ratsadanu. Het was een houten villa van twee etages met veel veranda's, luchtig gebouwd en voor die tijd ongetwijfeld zeer luxe. Het was slecht onderhouden, maar had nog wat oud meubilair en oude foto's. De eettafel op de achterveranda was tamelijk imposant. De keuken was in een zijgebouw. De omgeving was zo bosrijk dat het getjilp van krekels oorverdovend was.
 Vanaf hier wandelden we richting de rivier. De wegen waren verrassend breed opgezet en er was meer verkeer dan in bv Satun. Toen we de haven zagen begrepen we waarom: die was groter dan ik verwacht had, en de kade stond vol met vele tientallen containers die duidelijk in transit waren. Blijkbaar was dit nog steeds de belangrijkste haven aan de Thaise westkust. Verrassend als je zag dat de rivier hier niet zo erg breed was. Er reden ook voortdurend diepladers met een lading onder zeil door de stad.

Krabi
Hondervijftig km naar het noorden met een bus kwamen we in Krabi. Aj, hier was het wel heel erg toeristisch. Met groepen kwamen ze voorbij. In geen jaren had ik zoveel toeristen bij elkaar gezien. Zweedse, Franse en Russische gezinnen; busladingen backpackers (letterlijk); oudere jongeren op brommertjes; Nederlandse stellen... Blijkbaar was Krabi niet alleen een hub voor de eilanden hier voor de kust, maar ook een bestemming op zichzelf.
En daar bovenop leek half China en half Maleisie hier te zijn. We hadden het effect van Chinees Nieuwjaar met het er op aansluitende lange weekend onderschat, en de stomme pech dat onze route ons net dit weekend in de meest toeristische bestemming bracht. Het effect was dat we de eerste dag geen fatsoenlijk hotel konden vinden, en na uren en uren zoeken en rondvragen de volgende dag wel konden verhuizen maar dan ook een hóóg-seizoen-prijs betaalden.
Ondanks dat alles was Krabi toch wel een leuk Thais stadje dat prachtig lag aan de riviermonding, met een promenade en aan de overkant van het water meteen een mangrove-bos.

Vanuit Krabi maakten we een excursie naar Railay. Railay is een klein schiereiland zo'n 15 km van Krabi, dat aan de landkant door steil karst-gebergte wordt afgesloten. Het is alleen bereikbaar voor bergbeklimmers of per boot. Het uiteinde was ook weer rots, maar tussen die twee rotsen is een dal dat aan allebei de zeekanten een baai met strand vormt. We gingen er met een longtail boot vanaf de promenade naar toe. De loodrechte rotswanden stegen hoog op uit het water, en waar het niet kaarsrecht was groeide jungle. Dat alles boven een azuur-blauwe zee. Dat zag er allemaal prachtig uit. Maar iedere bebouwbare meter was volgebouwd met resorts en restaurantjes en winkeltjes. Daar liepen vele honderden, zo niet duizenden toeristen tussen op en neer, en dat was echt meer dan deze paar km kon hebben. Het was een soort kunstmatig pretpark waar niets Thais aan was.
We begonnen met een kop koffie in een bamboe restaurantje aan de oostelijke baai, waar we aangeland waren en die meer mangrove had. De eerste keer deze reis dat we mangrove in hoog water zagen: boomkruinen die uit zee staken. Van daar wandelden we naar de westelijke baai die meer strand had. Daar zat ik een tijdje in de schaduw onder een boom, terwijl E. een stuk ging zwemmen in het kristalheldere water. Volgens haar een van de mooiste plekjes waar ze ooit in zee heeft gezwommen. Ondertussen werd het steeds drukker met mensen die uit Ao Nang, de volgende badplaats, met bootjes werden aangevoerd, en omdat het opkomende water het strand steeds smaller maakte.

Einde
Van Krabi is het nog zo’n 800 km naar Bangkok – of nog meer als je niet de kortste weg neemt. Dat is nauwelijks minder dan de ruim 900 km die we tot nu hebben afgelegd sinds we Kuala Lumpur verlaten hebben. Met nog drie dagen voor onze vlucht vanuit Bangkok naar Amsterdam vertrekt, zit er niets anders op dan het laatste stuk met een binnenlandse vlucht af te leggen. Voor de derde keer is het niet gelukt om over land van Maleisie naar Bangkok te reizen. Maar er is geen enkele reden om het niet een vierde keer te gaan proberen…
 
Krabi, 23 februari 2015

zaterdag 7 februari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 4: De overtocht

Het hoge noorden
In de aanloop naar het Thai Phusam festival, dat in Maleisie veel grootser gevierd wordt dan in India, was ons hotel volgeboekt. We konden dus niet langer blijven. De meest gangbare toeristische route is van Penang met een veerboot naar Langkawi, het meest noordelijke eiland van Maleisie, en vandaar met een veerboot naar Thailand. De meest gangbare niet-toeristische route is over de snelweg naar Hat Yai, centraal op het schiereiland. Maar wij gaven er de voorkeur aan zoveel mogelijk langs de westkust te reizen (nog los van dat Hat Yai ontraden werd door het ministerie van buitenlandse zaken), en zo kwamen we uit in Alor Setar, een off the beaten track stad.

Alor Setar was een stad in een spagaat. In sommige opzichten was het een groot dorp, met straathonden ipv katten, stukjes groen en houten huizen langs de invalsweg. Tegelijk werden er megalomane bouwwerken in de steigers gezet: een hypermoderne telecom toren (die was nog wel stijlvol) en oerlelijke winkelcentra en parkeergarages van absurde omvang. Echt schrijnend was het even verderop, waar in hutjes van golfplaten de gastarbeiders woonden die de betonnen kolossen aan het bouwen waren. We zagen net een groepje bouwvakkers terugkomen van de bouwplaats.

Toen we over de snelweg naar Alor Setar reden, zagen we een blauwe koepel boven de bebouwing uit. Van dat typisch Iraanse blauwe tegelwerk, dat je hier eigenlijk nooit ziet. Er stond echter geen Iraanse moskee in de reisgids, en we konden er niets over vinden. Tot ik ging zoeken op "blauw betegelde koepel". Toen vond ik een artikel van het bedrijf dat in 2000 de moskee ontworpen had voor een rijke zakenman uit Alor Setar. Het ontwerp was geinspireerd op Iraanse moskeeën en de ultieme versie daarvan: die in Samarkand. Er waren zelfs Iraanse materialen en ambachtslieden ingezet.

De moskee lag nogal buiten het centrum dus we moesten een taxi nemen om er te komen. Het complex was ongekend groot voor iets wat een privé persoon heeft neergezet. Twee zijvleugels die vanaf het hoofdgebouw naar voren kwamen, creerden een voorplein met waterpartijen. De witte moskee met de blauw betegelde koepels was indrukwekkend. Het verschil met bv de Grote Moskee in Abu Dhabi, waar ongelimiteerde fondsen waren ingezet, zag je in bv de toiletten en wasruimtes, die met eenvoudige tegels waren afgezet. Ook de houten deuren, de lampen, het tapijt, het was allemaal minder verfijnd. Niet om wat aan deze moskee af te doen, het is eerder een compliment dat je 'm überhaupt met die in Abu Dhabi vergelijkt.
We liepen rond, het was helemaal verlaten zo op zondagochtend (het weekend is hier vrijdag-zaterdag). Leuk om dit gevonden te hebben.


De overtocht
Het begon allemaal best goed. Om half negen liepen we het hotel uit en staken de weg over. Bij de bushalte gokten we op twee paarden: bus of taxi. Na 'n kwartier kwam er een taxi langs die stopte. En hij vroeg maar 5 ringgit voor een rit naar de busterminal - een betere deal dan we gister hadden.
Daar wisten we al waar we moesten zijn voor regionale bussen. De bus naar Kangar zou over 20 minuten vertrekken, niet slecht. Het was een midi-bus waar zo'n 10 passagiers instapten. We maakten weer een rare omweg - maar dat waren we inmiddels wel gewend van Maleisische bussen - voor we de provinciale weg opdraaiden. Met een redelijk gangetje en zonder te hoeven stoppen voor in- en uitstappende passagiers reden we langs een lang recht kanaal met het vlakke land er achter. Veel rijstvelden.
Kangar was toch nog groter dan verwacht. Op het busstation informeerden we naar de bus naar Kuala Perlis, waar boten naar Thailand zouden vertrekken. Bij twee loketten voor langeafstandsbussen zei men dat daar geen bussen naar toe gingen. Maar onze eigen buschauffeur wist dat die elders vertrokken: vanuit een parkeergarage onder een supermarkt...
Hmm, dan eerst maar een kopje koffie. Toast er bij lukte niet, dan maar een roti.
Om op zoek te gaan naar een parkeergarage elders in de stad voor een bus die maar om de paar uur zou vertrekken, was niet erg aanlokkelijk. Maar eens vragen wat een taxi deed. Dat viel alweer niet tegen: 18 ringgit voor 10km. De weg slingerde traag door een brede groene vallei. In Kuala Perlis werden we afgezet voor het douanegebouw. Bijna klassiek: je moest door het gebouw van de immigratiedienst om bij een afgezette kade te komen. De beambte wilde onze paspoorten niet stempelen: hij zei dat we eerst een boot moesten regelen en dan terugkomen...
Buiten lagen vier middelgrote houten boten (zo'n 12x2m). Die direct aan de kade werd geladen met grote zakken - meel of rijst of cement? Ja, hij ging naar Thailand. Nee, hij kon ons niet meenemen, dit was een vrachtboot. Op de drie andere boten was niets of niemand te zien. We namen de situatie eens op, in de riviermonding lagen een aantal grote vissersboten, een baggerschuit, en nog allerlei klein spul. Er was best wat activiteit, maar niet op ons stukje achter het douanekantoor. Na een tijdje zag ik een man met papieren bezig bij de boot die geladen werd. Die kon misschien meer vertellen. Hij zei dat een van de andere boten wel passagiers mee kon nemen; hij riep de kapitein wakker. Die zei dat die pas vertrok als de boot vol was. Of we moesten 'm charteren. 200 ringgit, dat was pittig geprijsd (anders was het 15 ringgit pp).
Langzaamaan werd duidelijk dat er geen sprake was van een regelmatige bootdienst naar Thailand, en dat er ook geen gestage stroom, of zelfs gestaag gedruppel was van toeristen of locals die deze route namen. We begonnen ons af te vragen of dit wel ging lukken...

Het was duidelijk dat hier voorlopig niets ging gebeuren, dus we gingen eerst even het dorp in om te lunchen. Twee straten verderop vonden we een eenvoudige nasi kandar waar ze wat groentes hadden. En overwogen nog eens onze opties. Wachten of de boot vol zou raken leek een te grote gok. Terug naar Kangar was ook vol onzekerheid. De enige weg over land aan deze kant van het schiereiland liep door een enorm natuur- en moerasgebied. Het was niet duidelijk of daar verkeer over ging. Als we er al een minibusje zouden vinden, zou dat ook weer eerst vol moeten zijn voor het zou vertrekken.
Het beste was dan toch de boot te charteren. Maar daarvoor hadden we niet genoeg geld, dus dan moesten we wel kunnen pinnen. En we wisten intussen dat lang niet alle Maleisische banken op het Maestro netwerk waren aangesloten. (Toen de Nederlandse banken nog op het Cirrus netwerk zaten, waren we beter bediend.) Maar we hadden geluk: de Maybank deed het, en even later hadden we 200 ringgit op zak.
Terug naar de jetty. Die nu helemaal verlaten was. De boot met vracht en de drie lege boten waren verdwenen. Alleen een veel kleiner bootje was iets aan het laden. Uit de gebrekkige communicatie meenden we te begrijpen dat hij wel naar Thailand ging, maar ons niet kon of wilde of mocht meenemen.
Het bootje vertrok en de kade was totaal verlaten en er gebeurde helemaal niets...

Een stukje verderop bij de volgende kade, buiten het douanegebied dus, lagen wel hetzelfde soort bootjes als eerder bij ons gelegen hadden, ook getooid met zowel de Thaise als de Maleisische vlag. Maar ja, dat was daar en wij waren hier...
Ik besloot er toch naar toe te gaan. Je hoefde niet eens door het douane gebouw om door een openstaande poort en via de openbare weg en een vrachtloods bij die andere kade te komen. Ook hier gebeurde niet al te veel, er lagen wel een aantal boten en een ervan werd volgestapeld met van die isolatiebakken waar vis in kon. Ik keek wat rond; een man was wel behulpzaam en sprak drie woorden Engels. Hij riep namens mij naar een paar bootslui en na wat heen en weer gepraat zei hij dat ze me wel mee wilden nemen. Oh, en nog iemand? OK. Over een half uurtje zouden ze vertrekken. We moesten maar vast ons uitreisstempel gaan halen.
Zo gezegd zo gedaan. De beambte vroeg alleen of we een boot hadden geregeld, verder was hij er niet in geïnteresseerd welke boot het was of waar die lag. Na officieel het land verlaten te hebben, liepen we achter om het douane gebouw het land weer in en naar de vrachtloods. We moesten nog even wachten. Toen werd er gewenkt dat we aan boord konden. Via een ander boot klauterden we van de kade naar onze schuit. Via een randje tot het achterdek en daar konden we de kajuit in. Nou ja, kajuit, het bleek meer een soort dashboard rondom het stuurwiel te zijn. Dat stuurwiel stond op een hoge as die uit het ruim stak waar een diesel denderde. De kapitein / stuurman stond/zat/hing half in de kajuit en langzaam kwamen we los. Rustig voeren we de riviermonding uit.
Buitengaats gingen we wat harder, tegen een straffe noordenwind in. De wind maakte kleine schuimkoppen op de golven. Zolang we tempo hielden, was de boot redelijk stabiel. Maar een paar keer namen we even gas terug en dan deinden we vervaarlijk heen en weer. Omdat wij hoger boven de waterlijn zaten dan de boot breed was, maakten we dan flinke zwiepers. Nee, dat was niet fijn. In de verte zagen we het silhouet van Langkawi. Dichterbij waren wat kleine eilanden die als groen beboste rotsen uit zee staken. Een ervan had een strand met huisjes.

Na ruim een uur in de oorverdovende herrie en stank van de dieselmotor gezeten te hebben, naderden we weer land. Aan de riviermonding was een grote betonnen aanlegsteiger gebouwd, waar twee grote veerboten lagen. Aan de voet van een trapje werden we afgezet. Daar stonden we dan. Nog niet echt op Thaise grond, want we hàdden geen vaste grond onder de voeten en we waren nog niet door de immigratie. Dat was hier allemaal wat grootser opgezet, vanwege de veerpont uit Langkawi. Formulieren, foto, paspoort, stempels - en toen waren we wel in Thailand!
In de aankomsthal waren balies voor de veerboten, klokken met Thaise en Maleisische tijden, winkeltjes en een wisselkantoor. We zetten maar meteen al onze Maleisische ringgit om in Thaise baht, dan hadden we wat zakgeld. Daarvan kochten we een colaatje en wat ananas. Taxichauffeurs en moto-taxi-mannen probeerden ons te overtuigen dat er geen songtauw (een pickup truck met twee bankjes langs de zijkant) naar de stad was. Hun ongelijk werd al snel aangetoond. Al was de chauffeur niet zo enthousiast om ons mee te nemen. Het bleek dat de laadruimte half vol stond met spullen die een km verderop moesten worden afgeleverd bij een klein steigertje waar ook een paar bootjes lagen zoals het onze. Vandaar reden we dan alsnog naar de stad, over een lange weg door de mangrove bossen. Vooraan in de stad maakten we weer een stop. Er werd een kooi met vogels ingeladen.
De eerste indruk van Satun  ("S'toen") was een klein, gemoedelijk stadje. We werden afgezet voor het "beste" hotel van de stad. De kamers in de oude vleugel waren behoorlijk gedateerd, en niet meegegaan in de renovatie die de lobby vol pretenties wel had ondergaan. Maar het uitzicht was fantastisch. We keken over de bocht in een riviertje, over palmbomen daarachter, en een uit de vlakte oprijzende kalkstenen bult zoals die ook uit zee op staken.
Na 8 bij tijden enerverende uren waren we weer onderdak. We moesten er echt eventjes van bijkomen.

Het diepe zuiden
We gingen eten bij On's, hét restaurantje voor buitenlandse toeristen. Even wennen, hier stond geen vegetarisch eten op de menukaart, en de serveerster sprak geen woord Engels, terwijl hier toch best wat toeristen langskwamen op weg naar Langkawi of Ko Lipe. Welkom in Thailand. Maar met enige moeite lukte het een best lekkere groene curry te laten komen.
Intussen keken we naar het voorbijkomende leven in Satun. Het had het een behoorlijk einde-van-de-weg of frontier-town gevoel. Per definitie was er geen doorgaand verkeer: er was maar één weg naar de rest van Thailand. In het zuiden van Thailand wonen veel Moslims - het hoort ook nog niet zo lang bij Thailand - en dat merk je aan de prominente plek van de moskee en aan een flink aantal vrouwen met hoofddoekjes - in verhouding eigenlijk evenveel als in Alor Setar. Vonden we in Maleisie de mensen al heel vriendelijk, hier was dat ook zo, maar bovendien was de sfeer nog gemoedelijker en straalde van ieder gezicht de legendarische Thaise glimlach.  Het verkeersbeeld was echt anders dan in Maleisië: veel meer motoren, motoren met zijspan (met er aangehangen karretje, in zowel vracht- als passagiers-uitvoering), pick-up trucks, songtauws - en juist minder personenauto's. De bomen in de middenberm waren met lampjes versierd. Door het tijdsverschil werd het hier een uur vroeger donker dan in Maleisie.

Satun beviel ons wel, maar het hotel minder. E. deed wat speurwerk op Tripadvisor.com en Hotels.com en vond een plekje om de volgende ochtend naar toe te verhuizen.
Gleam Resort is een terrein met 10 kleine bungalows in een mooi aangelegde en onderhouden tuin, met aan het eind een zwembad. De bungalows hebben iets eenvoudigs, maar zijn met de grootste zorg ontworpen en onderhouden. Het ziet er schitterend uit, en ieder richeltje is stofvrij, iedere lamp en schakelaar doet het, ieder snippertje papier en ieder boomblaadje wordt opgeharkt. De muren zijn cementkleurig gestuukt, de vloer bedekt met marmeren tegels, en het bed is groot en van een ongekende zachtheid. Op de veranda staat een bankje gemaakt van een kunstig opengewerkt oliedrum (waar je voor geen meter op kunt zitten). De decoratie is geïnspireerd op de thema's nautisch (er is een werf in Satun waar grote jachten worden onderhouden) en Amerikaans-jaren-50.
Het zwembad is gemaakt uit een stuk kunststof (epoxy?) en aangenaam van temperatuur. We spartelden respectievelijk zwommen wat en gingen toen opdrogen en een boekje lezen op de ligbedden langs de rand.
's Avonds aten we "thuis", dus in ons resort. We waren de enige gasten. Wat overleg met de kok en we kwamen uit op een veg masamam curry. Lekker! Intussen arriveerde er nog een Thais gezin per auto.
Na het eten zaten we nog even op het schommelbankje bij het zwembad in de volle maan. De wind raasde; vogels waren al stiller; krekels tsjirpten; een pad hopte over de tegels; de poes sloop door het gras; de verschillende moskeeën riepen net niet tegelijk op tot het avondgebed.

Ik was (te) vroeg wakker. Dat gaf me de gelegenheid eerst te horen hoe totaal stil het was. Geen fan, geen ac (van de buren), geen generator, geen hondengeblaf, geen verkeer, geen stemmen, geen kerkklokken, geen werkgeluiden. De eerste klanken waren de vroege oproep voor het ochtendgebed. Daarna de eerste geluiden van vogels en insecten. Toen het langzaam licht worden en aanzwellen van de vogelgeluiden.
Dit is een van de mooiste plekken waar ik ooit geweest ben. Beslist zijn veel zakenhotels beter geoutilleerd, maar dan zeker minder smaakvol. Beslist bestaan er plekken die nog mooier in de natuur liggen, maar dan zijn die weer te afgelegen. Beslist zijn er peperdure resorts die dat combineren, maar dan is het maar de vraag of wij ons daar thuis zouden voelen.
Het is hier prachtig, rustig, groen, aangenaam - en tegelijk dicht genoeg bij het stadje om je niet opgesloten te voelen, om overdag naar een winkeltje of een restaurantje te kunnen wandelen. En dat stadje is dan ook nog eens 100% Thai, met alleen bij On's een sporadische westerse toerist.  Het was maar de vraag of we nog iets beters zouden vinden, want hoe verder naar het noorden we zouden gaan, hoe toeristischer het zou worden. En dat is meestal geen goed nieuws voor de prijs/kwaliteitsverhouding noch voor hoe prettig wij ons ergens voelen. Dus we besloten dat we hier nog wel een weekje konden blijven.

Dat alles voor een prijs die nauwelijks boven ons hotel-budget ligt, en ruim onder ons resort-budget. Een mooi basiskamp om te wandelen, te zwemmen, te zonnen, te lezen, te schrijven. 

Satun, 5-7 februari 2015