maandag 23 februari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 5 (slot): De Andaman kust

Satun, hoe het verder ging…
Uiteindelijk zijn we twee weken in Satun gebleven. Het was gewoon te leuk om te vertrekken. Een aantal ochtenden bleven we thuis en zat E. op de veranda aan haar boek te werken. Andere ochtenden wandelden we door het stadje, over de markt, of juist de stad uit. Binnen tien minuten was je op het platteland. Vooral de wandeling die ons eerst langs een mangrove bos bracht, toen langs visvijvers met kreeft, en toen bij een afgelegen huis waar oploskoffie geserveerd werd, was spectaculair.
Voor de lunch gingen we iedere dag naar dezelfde plek. Iedere Thaise stad heeft ten minste één vegetarisch lunch-restaurant. Het probleem is het te vinden. Ten eerste om de vraag duidelijk te maken (wij spreken geen Thai); ten tweede zijn ze niet erg bekend; ten derde om het evt antwoord te begrijpen (zij spreken geen Engels); ten vierde om het te zien zelfs als je er voor staat. Ook dit was onooglijk klein in de hoek van een loods. Maar de belangrijkste hint is altijd het bord met rode letters op een gele achtergrond. Iedere dag was er een soort buffet met verschillende groentes en tofu-varianten die je op je bordje rijst kon scheppen. Het was afwisselend, lekker, gezond en spotgoedkoop.
Ook voor koffie hadden we een vast adres, als we in de stad waren. Een klein bamboe stalletje waar een meisje in zat, achter de toonbank weggedoken als er geen klanten waren, voor take-away koffie en thee. Het was een genot om te zien met hoeveel zorg ze iedere bestelling klaarmaakte. Een schepje van dit, een scheutje van dat, roeren, mixen, in een zak of beker met ijs gieten, inpakken. Ze was niet erg spraakzaam, maar wel zorgzaam. Onder haar glinsterende hoofddoek had ze haar wimpers gitzwart gemaakt en haar wenkbrauwen dik ingetekend.
Avondeten hadden we afwisselend thuis of in de stad. De kwaliteit kon die van KL en Penang niet evenaren, en bestellen ging soms moeizaam, maar toch waren we meestal wel tevreden met het resultaat.
Uniek voor Thailand is hoe gemakkelijk je ergens naar muziek kunt luisteren. We vonden een openlucht-bar waar iedere avond een trio optrad. De zangeres deed graag Engelstalige covers en kon echt goed zingen. Soms waren wij de enige klanten en hadden dan de drie muzikanten en vijf man personeel ons heen. Die waren druk met het voortdurend bijvullen van onze glazen met ijsblokjes en het flesje cola dat op een bijzettafeltje stond.
Satun was toch niet 100% Thai. Eerder 99.8%. Buitenlanders waren of 3 dagen overgekomen van Langkawi voor een nieuwe Maleisische inreis-stempel en zaten in hetzelfde resort als wij. Of ze hadden hun jacht in onderhoud op de werf in Thammalang. Of ze woonden hier, getrouwd met een Thaise, die thuis zat terwijl ze met hun lotgenoten bier dronken en klaagden. Of ze waren Amerikaanse jonge meiden die Engelse les gaven en lunchten in hetzelfde restaurant als wij. Of ze waren op doorreis van/naar Langkawi en te laat voor de laatste ferry.

Trang
Hondervijftig km naar het noorden met een minivan kwamen we in Trang. Trang is al een wat groter stadje en minder aan Maleisie verwant. In eerste instantie schrokken we van de toeristen, in vijf minuten zagen we er meer dan in twee weken Satun, maar uiteindelijk bleek dat ze allemaal in de paar honderd meter rondom het treinstation bleven.
We waren de twee dagen voorafgaand aan het Chinese Nieuwjaar in Trang, en dat werd hier groots aangepakt. Iedere avond was een deel van brede straten afgezet, waar podia gebouwd waren en een markt met allerlei soorten eten was opgezet – gevarieerder en verzorgder dan een gewone Thaise night market. De mensen waren er ook echt als een uitje, niet alleen om een hapje te eten. Veel mensen hadden zich er extra voor gekleed, soms in gloednieuwe rode jasjes en jurkjes. Op sommige stukken kon je nauwelijks lopen door de menigte. Maar het had wel iets heel gezelligs en gemoedelijks.

Vanuit Trang makten we een excursie naar Kantang. Kantang ligt aan de monding van de rivier de Trang, zo'n 30km zuidelijker. Al eeuwen geleden was het een belangrijke haven met een mengeling van Maleise, Chinese en Thaise inwoners. Het was vroeger na Bangkok de belangrijkste haven van het land en had daar ook een spoorverbinding mee. De hoogtij dagen waren ruim een eeuw geleden, toen de lokale ondernemer en heerser Praya Ratsadanu goede connecties had met het Thaise koningshuis, oog had voor het belang van de bevolking en vernieuwingen doorvoerde. Zo importeerde hij stiekem de eerste rubberboom uit Maleisie (nadat een Engelsman de zaden illegaal uit Brazilie had meegenomen). De impact daarvan zie je nu overal: de rubberboom is verreweg het meest verbouwde gewas in zuid Thailand.
Er gaat een trein per dag van Bangkok naar Kantang, via Trang. Daar konden we dus mee gaan. Het laatste half uur van een rit van 17 uur. De trein was nagenoeg leeg voor dit laatste stukje en reed door landelijk gebied.
Het stationnetje van Kantang is het originele eeuw-oude houten gebouw, prima in de verf, met de originele loketten en borden. Een kamer is een klein museum, een nevengebouw is nu een leuke coffeeshop.
We wandelden naar het voormalige woonhuis van Praya Ratsadanu. Het was een houten villa van twee etages met veel veranda's, luchtig gebouwd en voor die tijd ongetwijfeld zeer luxe. Het was slecht onderhouden, maar had nog wat oud meubilair en oude foto's. De eettafel op de achterveranda was tamelijk imposant. De keuken was in een zijgebouw. De omgeving was zo bosrijk dat het getjilp van krekels oorverdovend was.
 Vanaf hier wandelden we richting de rivier. De wegen waren verrassend breed opgezet en er was meer verkeer dan in bv Satun. Toen we de haven zagen begrepen we waarom: die was groter dan ik verwacht had, en de kade stond vol met vele tientallen containers die duidelijk in transit waren. Blijkbaar was dit nog steeds de belangrijkste haven aan de Thaise westkust. Verrassend als je zag dat de rivier hier niet zo erg breed was. Er reden ook voortdurend diepladers met een lading onder zeil door de stad.

Krabi
Hondervijftig km naar het noorden met een bus kwamen we in Krabi. Aj, hier was het wel heel erg toeristisch. Met groepen kwamen ze voorbij. In geen jaren had ik zoveel toeristen bij elkaar gezien. Zweedse, Franse en Russische gezinnen; busladingen backpackers (letterlijk); oudere jongeren op brommertjes; Nederlandse stellen... Blijkbaar was Krabi niet alleen een hub voor de eilanden hier voor de kust, maar ook een bestemming op zichzelf.
En daar bovenop leek half China en half Maleisie hier te zijn. We hadden het effect van Chinees Nieuwjaar met het er op aansluitende lange weekend onderschat, en de stomme pech dat onze route ons net dit weekend in de meest toeristische bestemming bracht. Het effect was dat we de eerste dag geen fatsoenlijk hotel konden vinden, en na uren en uren zoeken en rondvragen de volgende dag wel konden verhuizen maar dan ook een hóóg-seizoen-prijs betaalden.
Ondanks dat alles was Krabi toch wel een leuk Thais stadje dat prachtig lag aan de riviermonding, met een promenade en aan de overkant van het water meteen een mangrove-bos.

Vanuit Krabi maakten we een excursie naar Railay. Railay is een klein schiereiland zo'n 15 km van Krabi, dat aan de landkant door steil karst-gebergte wordt afgesloten. Het is alleen bereikbaar voor bergbeklimmers of per boot. Het uiteinde was ook weer rots, maar tussen die twee rotsen is een dal dat aan allebei de zeekanten een baai met strand vormt. We gingen er met een longtail boot vanaf de promenade naar toe. De loodrechte rotswanden stegen hoog op uit het water, en waar het niet kaarsrecht was groeide jungle. Dat alles boven een azuur-blauwe zee. Dat zag er allemaal prachtig uit. Maar iedere bebouwbare meter was volgebouwd met resorts en restaurantjes en winkeltjes. Daar liepen vele honderden, zo niet duizenden toeristen tussen op en neer, en dat was echt meer dan deze paar km kon hebben. Het was een soort kunstmatig pretpark waar niets Thais aan was.
We begonnen met een kop koffie in een bamboe restaurantje aan de oostelijke baai, waar we aangeland waren en die meer mangrove had. De eerste keer deze reis dat we mangrove in hoog water zagen: boomkruinen die uit zee staken. Van daar wandelden we naar de westelijke baai die meer strand had. Daar zat ik een tijdje in de schaduw onder een boom, terwijl E. een stuk ging zwemmen in het kristalheldere water. Volgens haar een van de mooiste plekjes waar ze ooit in zee heeft gezwommen. Ondertussen werd het steeds drukker met mensen die uit Ao Nang, de volgende badplaats, met bootjes werden aangevoerd, en omdat het opkomende water het strand steeds smaller maakte.

Einde
Van Krabi is het nog zo’n 800 km naar Bangkok – of nog meer als je niet de kortste weg neemt. Dat is nauwelijks minder dan de ruim 900 km die we tot nu hebben afgelegd sinds we Kuala Lumpur verlaten hebben. Met nog drie dagen voor onze vlucht vanuit Bangkok naar Amsterdam vertrekt, zit er niets anders op dan het laatste stuk met een binnenlandse vlucht af te leggen. Voor de derde keer is het niet gelukt om over land van Maleisie naar Bangkok te reizen. Maar er is geen enkele reden om het niet een vierde keer te gaan proberen…
 
Krabi, 23 februari 2015

zaterdag 7 februari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 4: De overtocht

Het hoge noorden
In de aanloop naar het Thai Phusam festival, dat in Maleisie veel grootser gevierd wordt dan in India, was ons hotel volgeboekt. We konden dus niet langer blijven. De meest gangbare toeristische route is van Penang met een veerboot naar Langkawi, het meest noordelijke eiland van Maleisie, en vandaar met een veerboot naar Thailand. De meest gangbare niet-toeristische route is over de snelweg naar Hat Yai, centraal op het schiereiland. Maar wij gaven er de voorkeur aan zoveel mogelijk langs de westkust te reizen (nog los van dat Hat Yai ontraden werd door het ministerie van buitenlandse zaken), en zo kwamen we uit in Alor Setar, een off the beaten track stad.

Alor Setar was een stad in een spagaat. In sommige opzichten was het een groot dorp, met straathonden ipv katten, stukjes groen en houten huizen langs de invalsweg. Tegelijk werden er megalomane bouwwerken in de steigers gezet: een hypermoderne telecom toren (die was nog wel stijlvol) en oerlelijke winkelcentra en parkeergarages van absurde omvang. Echt schrijnend was het even verderop, waar in hutjes van golfplaten de gastarbeiders woonden die de betonnen kolossen aan het bouwen waren. We zagen net een groepje bouwvakkers terugkomen van de bouwplaats.

Toen we over de snelweg naar Alor Setar reden, zagen we een blauwe koepel boven de bebouwing uit. Van dat typisch Iraanse blauwe tegelwerk, dat je hier eigenlijk nooit ziet. Er stond echter geen Iraanse moskee in de reisgids, en we konden er niets over vinden. Tot ik ging zoeken op "blauw betegelde koepel". Toen vond ik een artikel van het bedrijf dat in 2000 de moskee ontworpen had voor een rijke zakenman uit Alor Setar. Het ontwerp was geinspireerd op Iraanse moskeeën en de ultieme versie daarvan: die in Samarkand. Er waren zelfs Iraanse materialen en ambachtslieden ingezet.

De moskee lag nogal buiten het centrum dus we moesten een taxi nemen om er te komen. Het complex was ongekend groot voor iets wat een privé persoon heeft neergezet. Twee zijvleugels die vanaf het hoofdgebouw naar voren kwamen, creerden een voorplein met waterpartijen. De witte moskee met de blauw betegelde koepels was indrukwekkend. Het verschil met bv de Grote Moskee in Abu Dhabi, waar ongelimiteerde fondsen waren ingezet, zag je in bv de toiletten en wasruimtes, die met eenvoudige tegels waren afgezet. Ook de houten deuren, de lampen, het tapijt, het was allemaal minder verfijnd. Niet om wat aan deze moskee af te doen, het is eerder een compliment dat je 'm überhaupt met die in Abu Dhabi vergelijkt.
We liepen rond, het was helemaal verlaten zo op zondagochtend (het weekend is hier vrijdag-zaterdag). Leuk om dit gevonden te hebben.


De overtocht
Het begon allemaal best goed. Om half negen liepen we het hotel uit en staken de weg over. Bij de bushalte gokten we op twee paarden: bus of taxi. Na 'n kwartier kwam er een taxi langs die stopte. En hij vroeg maar 5 ringgit voor een rit naar de busterminal - een betere deal dan we gister hadden.
Daar wisten we al waar we moesten zijn voor regionale bussen. De bus naar Kangar zou over 20 minuten vertrekken, niet slecht. Het was een midi-bus waar zo'n 10 passagiers instapten. We maakten weer een rare omweg - maar dat waren we inmiddels wel gewend van Maleisische bussen - voor we de provinciale weg opdraaiden. Met een redelijk gangetje en zonder te hoeven stoppen voor in- en uitstappende passagiers reden we langs een lang recht kanaal met het vlakke land er achter. Veel rijstvelden.
Kangar was toch nog groter dan verwacht. Op het busstation informeerden we naar de bus naar Kuala Perlis, waar boten naar Thailand zouden vertrekken. Bij twee loketten voor langeafstandsbussen zei men dat daar geen bussen naar toe gingen. Maar onze eigen buschauffeur wist dat die elders vertrokken: vanuit een parkeergarage onder een supermarkt...
Hmm, dan eerst maar een kopje koffie. Toast er bij lukte niet, dan maar een roti.
Om op zoek te gaan naar een parkeergarage elders in de stad voor een bus die maar om de paar uur zou vertrekken, was niet erg aanlokkelijk. Maar eens vragen wat een taxi deed. Dat viel alweer niet tegen: 18 ringgit voor 10km. De weg slingerde traag door een brede groene vallei. In Kuala Perlis werden we afgezet voor het douanegebouw. Bijna klassiek: je moest door het gebouw van de immigratiedienst om bij een afgezette kade te komen. De beambte wilde onze paspoorten niet stempelen: hij zei dat we eerst een boot moesten regelen en dan terugkomen...
Buiten lagen vier middelgrote houten boten (zo'n 12x2m). Die direct aan de kade werd geladen met grote zakken - meel of rijst of cement? Ja, hij ging naar Thailand. Nee, hij kon ons niet meenemen, dit was een vrachtboot. Op de drie andere boten was niets of niemand te zien. We namen de situatie eens op, in de riviermonding lagen een aantal grote vissersboten, een baggerschuit, en nog allerlei klein spul. Er was best wat activiteit, maar niet op ons stukje achter het douanekantoor. Na een tijdje zag ik een man met papieren bezig bij de boot die geladen werd. Die kon misschien meer vertellen. Hij zei dat een van de andere boten wel passagiers mee kon nemen; hij riep de kapitein wakker. Die zei dat die pas vertrok als de boot vol was. Of we moesten 'm charteren. 200 ringgit, dat was pittig geprijsd (anders was het 15 ringgit pp).
Langzaamaan werd duidelijk dat er geen sprake was van een regelmatige bootdienst naar Thailand, en dat er ook geen gestage stroom, of zelfs gestaag gedruppel was van toeristen of locals die deze route namen. We begonnen ons af te vragen of dit wel ging lukken...

Het was duidelijk dat hier voorlopig niets ging gebeuren, dus we gingen eerst even het dorp in om te lunchen. Twee straten verderop vonden we een eenvoudige nasi kandar waar ze wat groentes hadden. En overwogen nog eens onze opties. Wachten of de boot vol zou raken leek een te grote gok. Terug naar Kangar was ook vol onzekerheid. De enige weg over land aan deze kant van het schiereiland liep door een enorm natuur- en moerasgebied. Het was niet duidelijk of daar verkeer over ging. Als we er al een minibusje zouden vinden, zou dat ook weer eerst vol moeten zijn voor het zou vertrekken.
Het beste was dan toch de boot te charteren. Maar daarvoor hadden we niet genoeg geld, dus dan moesten we wel kunnen pinnen. En we wisten intussen dat lang niet alle Maleisische banken op het Maestro netwerk waren aangesloten. (Toen de Nederlandse banken nog op het Cirrus netwerk zaten, waren we beter bediend.) Maar we hadden geluk: de Maybank deed het, en even later hadden we 200 ringgit op zak.
Terug naar de jetty. Die nu helemaal verlaten was. De boot met vracht en de drie lege boten waren verdwenen. Alleen een veel kleiner bootje was iets aan het laden. Uit de gebrekkige communicatie meenden we te begrijpen dat hij wel naar Thailand ging, maar ons niet kon of wilde of mocht meenemen.
Het bootje vertrok en de kade was totaal verlaten en er gebeurde helemaal niets...

Een stukje verderop bij de volgende kade, buiten het douanegebied dus, lagen wel hetzelfde soort bootjes als eerder bij ons gelegen hadden, ook getooid met zowel de Thaise als de Maleisische vlag. Maar ja, dat was daar en wij waren hier...
Ik besloot er toch naar toe te gaan. Je hoefde niet eens door het douane gebouw om door een openstaande poort en via de openbare weg en een vrachtloods bij die andere kade te komen. Ook hier gebeurde niet al te veel, er lagen wel een aantal boten en een ervan werd volgestapeld met van die isolatiebakken waar vis in kon. Ik keek wat rond; een man was wel behulpzaam en sprak drie woorden Engels. Hij riep namens mij naar een paar bootslui en na wat heen en weer gepraat zei hij dat ze me wel mee wilden nemen. Oh, en nog iemand? OK. Over een half uurtje zouden ze vertrekken. We moesten maar vast ons uitreisstempel gaan halen.
Zo gezegd zo gedaan. De beambte vroeg alleen of we een boot hadden geregeld, verder was hij er niet in geïnteresseerd welke boot het was of waar die lag. Na officieel het land verlaten te hebben, liepen we achter om het douane gebouw het land weer in en naar de vrachtloods. We moesten nog even wachten. Toen werd er gewenkt dat we aan boord konden. Via een ander boot klauterden we van de kade naar onze schuit. Via een randje tot het achterdek en daar konden we de kajuit in. Nou ja, kajuit, het bleek meer een soort dashboard rondom het stuurwiel te zijn. Dat stuurwiel stond op een hoge as die uit het ruim stak waar een diesel denderde. De kapitein / stuurman stond/zat/hing half in de kajuit en langzaam kwamen we los. Rustig voeren we de riviermonding uit.
Buitengaats gingen we wat harder, tegen een straffe noordenwind in. De wind maakte kleine schuimkoppen op de golven. Zolang we tempo hielden, was de boot redelijk stabiel. Maar een paar keer namen we even gas terug en dan deinden we vervaarlijk heen en weer. Omdat wij hoger boven de waterlijn zaten dan de boot breed was, maakten we dan flinke zwiepers. Nee, dat was niet fijn. In de verte zagen we het silhouet van Langkawi. Dichterbij waren wat kleine eilanden die als groen beboste rotsen uit zee staken. Een ervan had een strand met huisjes.

Na ruim een uur in de oorverdovende herrie en stank van de dieselmotor gezeten te hebben, naderden we weer land. Aan de riviermonding was een grote betonnen aanlegsteiger gebouwd, waar twee grote veerboten lagen. Aan de voet van een trapje werden we afgezet. Daar stonden we dan. Nog niet echt op Thaise grond, want we hàdden geen vaste grond onder de voeten en we waren nog niet door de immigratie. Dat was hier allemaal wat grootser opgezet, vanwege de veerpont uit Langkawi. Formulieren, foto, paspoort, stempels - en toen waren we wel in Thailand!
In de aankomsthal waren balies voor de veerboten, klokken met Thaise en Maleisische tijden, winkeltjes en een wisselkantoor. We zetten maar meteen al onze Maleisische ringgit om in Thaise baht, dan hadden we wat zakgeld. Daarvan kochten we een colaatje en wat ananas. Taxichauffeurs en moto-taxi-mannen probeerden ons te overtuigen dat er geen songtauw (een pickup truck met twee bankjes langs de zijkant) naar de stad was. Hun ongelijk werd al snel aangetoond. Al was de chauffeur niet zo enthousiast om ons mee te nemen. Het bleek dat de laadruimte half vol stond met spullen die een km verderop moesten worden afgeleverd bij een klein steigertje waar ook een paar bootjes lagen zoals het onze. Vandaar reden we dan alsnog naar de stad, over een lange weg door de mangrove bossen. Vooraan in de stad maakten we weer een stop. Er werd een kooi met vogels ingeladen.
De eerste indruk van Satun  ("S'toen") was een klein, gemoedelijk stadje. We werden afgezet voor het "beste" hotel van de stad. De kamers in de oude vleugel waren behoorlijk gedateerd, en niet meegegaan in de renovatie die de lobby vol pretenties wel had ondergaan. Maar het uitzicht was fantastisch. We keken over de bocht in een riviertje, over palmbomen daarachter, en een uit de vlakte oprijzende kalkstenen bult zoals die ook uit zee op staken.
Na 8 bij tijden enerverende uren waren we weer onderdak. We moesten er echt eventjes van bijkomen.

Het diepe zuiden
We gingen eten bij On's, hét restaurantje voor buitenlandse toeristen. Even wennen, hier stond geen vegetarisch eten op de menukaart, en de serveerster sprak geen woord Engels, terwijl hier toch best wat toeristen langskwamen op weg naar Langkawi of Ko Lipe. Welkom in Thailand. Maar met enige moeite lukte het een best lekkere groene curry te laten komen.
Intussen keken we naar het voorbijkomende leven in Satun. Het had het een behoorlijk einde-van-de-weg of frontier-town gevoel. Per definitie was er geen doorgaand verkeer: er was maar één weg naar de rest van Thailand. In het zuiden van Thailand wonen veel Moslims - het hoort ook nog niet zo lang bij Thailand - en dat merk je aan de prominente plek van de moskee en aan een flink aantal vrouwen met hoofddoekjes - in verhouding eigenlijk evenveel als in Alor Setar. Vonden we in Maleisie de mensen al heel vriendelijk, hier was dat ook zo, maar bovendien was de sfeer nog gemoedelijker en straalde van ieder gezicht de legendarische Thaise glimlach.  Het verkeersbeeld was echt anders dan in Maleisië: veel meer motoren, motoren met zijspan (met er aangehangen karretje, in zowel vracht- als passagiers-uitvoering), pick-up trucks, songtauws - en juist minder personenauto's. De bomen in de middenberm waren met lampjes versierd. Door het tijdsverschil werd het hier een uur vroeger donker dan in Maleisie.

Satun beviel ons wel, maar het hotel minder. E. deed wat speurwerk op Tripadvisor.com en Hotels.com en vond een plekje om de volgende ochtend naar toe te verhuizen.
Gleam Resort is een terrein met 10 kleine bungalows in een mooi aangelegde en onderhouden tuin, met aan het eind een zwembad. De bungalows hebben iets eenvoudigs, maar zijn met de grootste zorg ontworpen en onderhouden. Het ziet er schitterend uit, en ieder richeltje is stofvrij, iedere lamp en schakelaar doet het, ieder snippertje papier en ieder boomblaadje wordt opgeharkt. De muren zijn cementkleurig gestuukt, de vloer bedekt met marmeren tegels, en het bed is groot en van een ongekende zachtheid. Op de veranda staat een bankje gemaakt van een kunstig opengewerkt oliedrum (waar je voor geen meter op kunt zitten). De decoratie is geïnspireerd op de thema's nautisch (er is een werf in Satun waar grote jachten worden onderhouden) en Amerikaans-jaren-50.
Het zwembad is gemaakt uit een stuk kunststof (epoxy?) en aangenaam van temperatuur. We spartelden respectievelijk zwommen wat en gingen toen opdrogen en een boekje lezen op de ligbedden langs de rand.
's Avonds aten we "thuis", dus in ons resort. We waren de enige gasten. Wat overleg met de kok en we kwamen uit op een veg masamam curry. Lekker! Intussen arriveerde er nog een Thais gezin per auto.
Na het eten zaten we nog even op het schommelbankje bij het zwembad in de volle maan. De wind raasde; vogels waren al stiller; krekels tsjirpten; een pad hopte over de tegels; de poes sloop door het gras; de verschillende moskeeën riepen net niet tegelijk op tot het avondgebed.

Ik was (te) vroeg wakker. Dat gaf me de gelegenheid eerst te horen hoe totaal stil het was. Geen fan, geen ac (van de buren), geen generator, geen hondengeblaf, geen verkeer, geen stemmen, geen kerkklokken, geen werkgeluiden. De eerste klanken waren de vroege oproep voor het ochtendgebed. Daarna de eerste geluiden van vogels en insecten. Toen het langzaam licht worden en aanzwellen van de vogelgeluiden.
Dit is een van de mooiste plekken waar ik ooit geweest ben. Beslist zijn veel zakenhotels beter geoutilleerd, maar dan zeker minder smaakvol. Beslist bestaan er plekken die nog mooier in de natuur liggen, maar dan zijn die weer te afgelegen. Beslist zijn er peperdure resorts die dat combineren, maar dan is het maar de vraag of wij ons daar thuis zouden voelen.
Het is hier prachtig, rustig, groen, aangenaam - en tegelijk dicht genoeg bij het stadje om je niet opgesloten te voelen, om overdag naar een winkeltje of een restaurantje te kunnen wandelen. En dat stadje is dan ook nog eens 100% Thai, met alleen bij On's een sporadische westerse toerist.  Het was maar de vraag of we nog iets beters zouden vinden, want hoe verder naar het noorden we zouden gaan, hoe toeristischer het zou worden. En dat is meestal geen goed nieuws voor de prijs/kwaliteitsverhouding noch voor hoe prettig wij ons ergens voelen. Dus we besloten dat we hier nog wel een weekje konden blijven.

Dat alles voor een prijs die nauwelijks boven ons hotel-budget ligt, en ruim onder ons resort-budget. Een mooi basiskamp om te wandelen, te zwemmen, te zonnen, te lezen, te schrijven. 

Satun, 5-7 februari 2015