donderdag 9 november 2017

Reisblog 40 jaar later (2/4) No-budget in Tunesië

2017-2018. Deze winter is het 40 jaar geleden dat ik mijn eerste grote reis maakte. Wat is er veel veranderd. In hoe ik zelf reis. En in hoe jonge mensen reizen. 

Waar ik me over verbaas is wat een riant budget veel backpackers  hebben, tegenover het low-budget van toen. We zijn met z'n allen véél rijker geworden.

In Mysore keek ik een paar jaar geleden in de lobby van wat 20 jaar eerder mijn low-budget backpacker-hotelletje was. Inmiddels een geheel gerenoveerd luxe boutique hotel ruim boven mijn budget. Komen er twee jonge meiden met een grote rugzak binnen. Zegt de een tegen de ander: "Is dit niet te duur?". "Nee hoor, dit is het hotel waar mijn moeder vroeger ook geweest is, ze zei dat we hier moesten logeren."

Zelf reisde ik 40 jaar geleden no-budget. Of bijna dan toch: gemiddeld gaf ik 5 US-dollar per dag uit. Zelfs een hotel kon je uitsparen - soms omdat er eenvoudigweg geen wás.


Op de boot van Sicilië naar Tunesië had ik Peter en Erik ontmoet, een Duitse en een Franse jongen. We trokken een tijdje samen op. Liftend in zuidelijke richting strandden we in een dorpje vlak voor Mahdia. We brachten de avond met wat 'locals' door, en de nacht in een garage op een grote berg olijven. De volgende dag hebben we zo'n olijven-boomgaard bekeken. Onder de bomen spreidden ze zeilen uit, waarop ze de olijven opvingen.

Djerba


Verder, naar het eiland Djerba. Djerba was toen al een toeris­ten-nederzetting aan het worden. Er waren luxe-hotels waar heel veel Duitsers de kerstdagen doorbrachten. In zo'n hotel had je letterlijk alles: postkantoor, bank, discotheek, nacht­club met buikdanseres, restaurants, cafés, bars, winkels. Alleen te duur voor ons budget, dus we gingen op het strand slapen - nog steeds met z'n drieën. Ruim een week kampeerden we daar in een primi­tief soort hut van takken en bladeren op het strand. 's Nachts was het wel koel, en vooral vochtig, overdag was het zonnig en warm. We maakten soms mooie kampvu­ren, een keer met een com­plete boomstam. We bezochten 's avonds zo'n verderop gele­gen sjiek hotel, waarna je terug door het donker over een meter-brede greppel moest. We wasten onze kleren in de middellandse zee - het is geen goed idee dat met een spijkerbroek te doen. Met de kerstda­gen zwommen we in zee.  Zo nu en dan liftten we naar de stad (20km) of het dorp (6km) ver­derop, inko­pen doen op de markt, vooral om soep van te brouwen. Het was heel relaxed allemaal. De grootste wens was een douche.
Na een week ging ik met Matma­ta, een dorpje meer land­inwaarts. De huizen waren daar uitgegraven in de grond, rondom een soort diepe ronde kuil die als dorpsplein dienst deed. Daar veel in een café geze­ten (en geslapen, bij gebrek aan een hotel); thee gedron­ken; oud en nieuw laten passeren.

Grensplaats

Ik bracht een week door in Tunis-stad (waar ik wel in een hotelletje sliep) voor ik weer verder reisde. De stad uit gelift. Met het vallen van de avond werd dat moeilijker. Ik was in een dorpje beland waar wat opge­schoten jongeren zich om me 'ontfermd' hadden, en ik voelde me er niet zo prettig bij. Ze wezen me als onderdak een in aan­bouw zijnd huis, maar tegelijk zaten ze achter m'n rug de zijzakjes van de rugzak te onderzoeken. Uiteindelijk wilde een 'taxi' me wel weer meenemen naar het volgende dorp, maar tegen betaling, en het Tunesische geld was op... Maar voor een pakje thee deed hij het ook wel. In dat dorp was op straat intussen niets en niemand meer te zien, en ik installeerde me ergens op een veranda, een beetje uit het zicht, voor de nacht.
De volgende ochtend bleek ik in een soort schooltje te liggen. En samen met de kinderen kreeg ik ontbijt: een soort liga-koeken en melk gemaakt van Nederlandse melkpoeder.
Dit was al het grensdorp, maar ik zat wat zuidelijker dan de doorgaande weg, en er was hier dus erg weinig verkeer. Vol goede moed begon ik de wandeling op de weg die ze wezen, naar de grens. Slingerend door de heuvels was het een kilometer of drie naar de Tunesische grenspost. Dat was al even doorzetten, zo met de rugzak. Maar, oh schrik, daarachter begon een nie­mandsland van 13 kilometer naar de Algerijnse grenspost! Er zat weinig anders op dan door te wandelen. Een klein stukje kon ik nog meerijden op een of andere landbouwmachine, maar het was toch voornamelijk een héle lange wandeling...

De Algerijnse grenswachters keken ze wel een beetje op van zo'n vreemde snuiter, en vroegen zich af of mijn lenzen-spullen echt geen drugs waren. Maar ik mocht er in...
1977-1978, 1994,1997, 2017

Meer van 40 jaar geleden

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen